Donderdagen van de poëzie

Had je me een decennium of twee geleden gekend, dan had je mij in de stad geregeld zien passeren in het historisch centrum of de studentenwijk, steevast gekleed in een sjofele ribfluwelen broek, een ouwe blauwe trui en een verfomfaaid jasje waarvan de zakken uitpuilden van note blocs, papiertjes en minimaal één boek; zeer vaak een flink doorgelezen Penguin pocket.

Ik zou je niet gezien hebben, of gedaan alsof, maar indien we elkaar hadden getroffen, had ik je een bizar maar hartelijk alaaf of grüss gott toegeroepen, begeleid door een ongemakkelijke, houterige zwaai, om vervolgens vliegensvlug door te marcheren in mijn springerige pas naar mijn bestemming.

In mijn fictieve herinnering van deze dag is het altijd oktober: grijzig en koel, de straten zwart van eerdere regenval, de gevelrijen donker als op een oude postkaart van een gotische stad die niet langer bestaat behalve in mijn morbide fantasie.

Zo was donderdag hiervan een echo, terwijl het grijs en koel en nat was en ik me door de straten rond de academie naar het Letterenhuis haastte om er de eerste Donderdag van de poëzie van het nieuwe seizoen bij te wonen.

De stad is nieuw nu en al lang niet meer de mijne; mijn verbazing over de dingen is enigszins weggeëbd en mijn doelloze warrigheid vervangen door vage ambities, maar ambities niettemin. Ik draag nog vaak dat gekreukte boek bij me en hier of daar tref ik een bizarre jongeman die me hartelijk begroet, op weg naar zijn idee van een toekomst uit een bildungsroman.