Getipt door Sarah Posman

Screenshot Azertyfactor

Na een uitzonderlijk rake analyse door Ann De Craemer vorig jaar mei, word ik weer getroffen door de inzichten van nY-redactrice Sarah Posman. Zij tipt vandaag Narvik (gisteren hier nog gepubliceerd) en vermeldt in de marge Werkelijkheidscontrole op Azertyfactor.

Posman ziet contrast en ongerijmdheid. Klopt zeker dat ik tegenstelling zocht in beide teksten; passiviteit versus dadingsdrang, controle versus vervreemding. Blijkbaar doe ik dat wel vaker.

Klopt evenwel ook dat de tweede tekst nog aanpassing vereist — ik gebruik de schrijfsite nog te vaak als een tussenstation; voor het opslaan en laten broeden. De protoversie behoud ik als aanzet.

Wordt dus vervolgd, begin citaat:

Ik heb er de gedichten ‘Narvik’ en ‘Werkelijkheidscontrole’ van Nils Geylen uitgelicht. ‘Narvik’ bouwt een mooie spanning op. Het beeld van de loerende bergen die traag je kamer inglijden wérkt omdat het niet eenvoudig te duiden is: het is absurd, een beetje griezelig, maar het is ook een ervaring die je het gedicht binnentrekt – ik wil dat wel een keer meemaken, binnensluipende bergen. Het trage tempo is niet zomaar een meditatief ‘in het moment zijn’, wat de imperatieven aan het begin van het gedicht lijken te suggereren. Hier moet een opdracht vervuld worden: de spieren worden gespannen, er moet een berekening gemaakt worden en een fout hersteld. De aanwezigheid van de kat zorgt er samen met de bewegende bergen voor dat een menselijk handelen deel wordt van een groter systeem waar de mens – ook al wil hij meten en berekenen – niet alles kan controleren.

‘Werkelijkheidscontrole’ trok mijn aandacht door de geweldige titel. Ik zie onmiddellijk een ambtelijk apparaat aan het werk, of een werkelijkheidsbedrijf dat zijn werknemers van deur tot deur laat gaan om de werkelijkheid te controleren. Het woord ‘reality check’ resoneert mee, en valt niet los te denken van de manier waarop ‘werkelijkheidszin’ vandaag ideologisch wordt ingevuld. Ook in dit gedicht wordt er ‘binnengeslopen’ en valt er weinig te meten: ‘vier procent van de kosmos is nog te vatten.’ De spreker is boos op de toestand van de wereld, op wat voor werkelijkheid moet doorgaan, en vat die kwade energie in treffende beelden. ‘Wie staat nog op een plein iets goed te maken?’. De dingen rijmen niet meer: wijkcomités zijn niet louter gezellig (‘rondje’ betekent zowel ‘samen iets drinken’ als ‘controlerend op ronde gaan om een rekening te vereffenen’), Europeanen hebben het moeilijk om onder elkaar te zijn, de rijen aan de budgetshop zijn te lang. Net als in ‘Narvik’ speelt Nils slim met proportie en contrast: van wijkcomité naar Europeanen, van een woord naar ‘budgetshop’ (gruwel) naar de poëtische frase ‘te lichaamsdragend’ (te fysiek, het leed van de werkelijkheid). Aan het slot zou ik nog wat morrelen: dat werkt denk ik sterker zonder bevel.

Het lijkt soms alsof ik meer schrijf dan ik denk te zeggen.