O post ironie

Vandaag zoeken wij een nieuwe scherpte. Voorzichtig, de lome gang naar de voordeur, in het ochtendlicht, in het onbehagen van meer zeitgeist dan ons past, gloort een groter verlangen om ons aan te snijden.

Ik bedoel: bevlogenheid in versteende warmte. Ik bedoel: een oprecht, een eerste cynisme, primaat wat ons laat rillen, het systeem in beweging brengt – meer dan de ijsglans van de spitsvondigheid, de kille vernielingsdrang van de pointe. O post ironie, bona fide heerser: er fluistert meer in ons.

Wij spreken over onszelf als jagers-verzamelaars, dwalend in de vreesvolle hoop dat er anderen zijn die bevestigen dat ook zij dit alles geheel waarheid noemen; vertrouw niemand, maar vertrouw erin dat uw hart veilig winterslaapt in dit verdoemde nu – fotogeniek tafereel langs de kamerplanten, de platenhoezen, de schaduwen onder de winterzon op de muren. Dat het wacht in wensdromen, in het dode schuim van feesten waarin wij niet wilden verdwijnen.

Het is dan ook niet dat ik niemand heb om u te vervangen maar dat u niet weet dat u reeds volkomen was. Vervreemd van natuur en hoeksteen zoek ik u dan in het onderbewuste van deze stad; ik poog u te vernieuwen tot meer.